De herinnering blijft pijnlijk dichtbij
met open ogen zie ik hoe het had moeten zijn
Vervloek en haat ik de fijne tijd
en
hoe zeer ik de vergetelheid benijd.
Mijn gedachten houden zich krampachtig vast
aan het sprankje hoop dat allang vervlogen is
Een schemerige mist
duid nog op jouw warmte
Daalt neer
in druppels
vormt de tranen van gemis
En stroomt met volle snelheid van de bergen af
Verwoestend wat het vind
het zand mee sleurend
de stenen slijpend
jou verwijtend
Het water koud
Tot het eindigt in mijn handen
en een kom vormend
drink in van het koele goed
Het lest de dorst
maar dat is ook het enige wat het nog doet.